Minigrammatik
 
 
Kapitel
1. Vor dem Rundfunk gab es den Mundfunk
2. Sport macht Spaß
3. Kleider machen Leute!
4. der Ton macht die Musik
 
 
Übersicht
 
  1. Kasus und Funktionen(naamval en functies)

  2. die Artikel(lidwoorden)

  3. die Pronomen (voornaamwoorden)

  4. die Adjektive (bijvoeglijke naamwoorden)

  5. die substantivierten Adjektive (gesubstantiveerde adjectieven)

  6. Steigerungsstufen (trappen van vergelijking)

  7. einige wichtige Adverbien (belangrijke bijwoorden)

  8. die Substantive (zelfstandige naamwoorden)

  9. die Präpositionen (voorzetsels)

  10. die Konjunktionen (voegwoorden)

  11. die Verben (werkwoorden)
    11.1 Tempus(tijdsaanduiding)
    11.1.1 der (indikativ) Präsens (O.T.T)
    11.1.2 der (indikativ) Präteritum (O.V.T)
    11.1.3 der (indikativ) Perfekt (V.T.T)
    11.1.4 der (indikativ) Plusquamperfekt (V.V.T.)
    11.1.5 der (indikativ) Futur(O.tk.T.)
    11.2 die Modalverben (modale hulpwerkwoorden)
    11.3 der Imperativ (gebiedende wijs)
    11.4 das Passiv (passief)
    11.5 die Konjunktiv (aanvoegende wijs)
    11.6 die Stammformen (stamtijden)
 
 
 
 
1. Kasus und Funktionen
 
Nominatief : onderwerp
 gezegde
 aanspreking
 
Akkusatief : lijdend voorwerp
 bij bepaalde werkwoorden (es gibt, bitten, fragen, usw.)
        Wo gibt es hier einen Briefkasten ?
 na bepaalde voorzetsels zoals: gegen, ohne, bis, um, für, durch
 soms na de zgn. ‘Weckselpräposition’ (met Akk. of Dat.):
        an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen
 tijdsaanduidingen zonder voorzetsel
        Sie bleibt den ganzen Tag.
 
Datief : meewerkend voorwerp
 bij bepaalde werkwoorden (helfen, gratulieren, usw.)
 bij bepaalde voorzetsels : aus, bei, mit, nach, von, zu
 soms na de zgn. ‘Weckselpräposition’ (met Akk. of Dat.):
        an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor, zwischen
 
Genitief : van-bepaling
 das Buch meines Freundes / meiner Freundin.
 bij bepaalde voorzetsels : statt, trotz, während, wegen, enz.
 genitief van tijd : eines Tages, eines schönen Abends, enz.
 
 
Top
 
 
 
2. die Artikel (lidwoorden)
 
bestimmt(bepaald)
     
Nderdiedasdie
     
Adendiedasdie
     
Ddemderdemden
     
Gdesderdesder
     
unbestimmt(onbepaald)
     
Neineineeinkeine
     
Aeineneineeinkeine
     
Deinemeinereinemkeinen
     
Geineseinereineskeiner
     
(volgorde overzichtjes altijd ml.enk / vr. enk. / onz. enk. / mv.)
 
Top
 
 
 
3. die Pronomen (voornaamwoorden)
 
 
das Personalpronomen (persoonlijk vnw.)
     
Nichduer/sie/eswirihrsieSie
     
Amichdichihn/sie/esunseuchsieSie
     
Dmirdirihm/ihr/ihmunseuchihnenIhnen
     
das Reflexivpronomen (wederkerend vnw.)
     
     
     
Amichdichsichunseuchsich
     
Dmirdirsichunseuchsich
     
 
 
 
das Relativpronomen (betrekkelijk vnw.)
     
Nderdiedasdie
     
Adendiedasdie
     
Ddemderdemdenen
     
Gdessenderendessenderen
     
das Fragepronomen (vragend vnw.)
     
Nwer?was?welcher?
     
Awen?was?was für ein?
     
Dwem?  
     
Gwessen?  
     
 
das Possessivpronomen (bezittelijk vnw.)
     
Sgmein-dein-sein-/ihr-/sein
     
Plunser-euer-ihr-/Ihr-
     
 
 
Het bezittelijk voornaamwoord krijgt de gebruikelijke adjectiefuitgangen ! !
 
Top
 
 
 
4. die Adjektive (bijvoeglijke naamwoorden/ adjectieven)
 
Bij adjectieven wordt er een onderscheid gemaakt tussen “zwakke” en “sterke” adjectieven. Een adjectief is zwak wanneer het voorafgegaan wordt door een uitgang van der/die/das. Bijvoorbeeld na : der / das / solches / unsere / keiner / dieser / jenem enz. Een adjectief wordt daarentegen sterk verbogen wanneer er geen uitgang van der/die/das aan voorafgaat. Dit is bijvoorbeeld het geval na ein/kein/ mein/unser/eurer/viel enz.
 
schwache Adjektivdeklinationen (adjectiefverbuiging)
Neeeen
     
Aeneeen
     
Denenenen
     
Genenenen
     
starke Adjektivdeklinationen (sterke)
Nereese
     
Aeneese
     
Demeremen
     
Generener
     
das kleine Kind
ein kleines Kind
mit dem kleinen Kind
unser braver Junge
des kleinen Kindes
schöne Autos
 
Let op!
  1. Twee of meer adjectieven na elkaar hebben dezelfde uitgang.
    (ein paar gute alte Bekannte/ ein junger, hübscher und intelligenter Junge)
  2. Opgelet bij de volgende voornaamwoorden !
 
normale Adjectiefverbuigingparallelle verbuiging (cf. punt 1.)
all-/sämtlich-ander-
beid-einig-
dies-etlich-
(folgend- : Sg.)(folgend- : Pl.)
jed-, jen-mehrer-
manch-viel (indien uitgang, anders sterk)
solch-, (irgend)welch-wenig (indien uitgang, anders sterk)
kein-verschieden-
Possesivpronomen... undsoweiter ...
 
Top
 
 
 
5. die substantivierten Adjective (s.A.)(adjectieven gebruikt als substantief)
 
Gesubstantiveerde adjectieven krijgen de gebruikelijke adjectiefverbuigingen vgl. punt 4 sterke en zwakke adjectieven
Kenmerken:
  1. normale adjektiefverbuigingen (sterk of zwak)
  2. hoofdletter
 
Voorbeelden
mannelijk
der Abgeordneteein Abgeordnetervolksvertegenwoordiger, afgevaardigde
der Angestellteein Angestellterbediende
der Arbeitsloseein Arbeitsloserwerkloze
der Deutscheein DeutscherDuitser
der Fremdeein Fremdervreemdeling
der Intellektuelleein Intellektuellerintellectueel
der Reisendeein Reisenderreiziger
usw.  
 
vrouwelijke varianten
die Angestellteeine Angestelltebediende
die Deutscheeine DeutscheDuitse
die Krankeeine Krankezieke
enz.  
 
enkele "s.A." zijn altijd vrouwelijk
die Illustrierteeine Illustrierte(geïllustreerd) tijdschrift
die Linkeeine Linkelinks, linkerhand
die Rechteeine Rechterechts, rechterhand
usw.  
 
onzijdig zijn die gesubstantiveerde adjectieven die voorafgegaan worden door: etwas, wenig, viel, nichts en alles nichts Interessantes, etwas Schönes, alles Gute, enz.
 
Top
 
 
 
6. Steigerungsstufen (trappen van vergelijking)
 
Hoofdregels:
  1. Comparatief (vergelijkende trap) + er
    Superlatief (overtreffende trap) + st (z.B. er ist der Schnellste)  
    Superlatief (overtreffende trap) am + sten (z.B. Er ist am schnellsten)

  2. de meeste woorden bestaande uit slechts één lettergreep krijgen een “Umlaut”:
    alt, arm, dumm, hart, hoch, jung, kalt, kurz, lang, nahe, nass, scharf, schwach, stark, warm, enz.


  3. Wanneer de stam van het woord eindigt op een s, ss, ß, sch, x, z ( een zgn. sisklank of “Zischlaut” in het Duits) of op een d of t en daarenboven de laatste lettergreep beklemtoond is dan wordt de superlatief gevormd met est.

  4. Adjectieven die eindigen op el/er verliezen de e voor de l resp. r in de comparatief.
    z.B. teuer (normale adj.) teurer (vergelijkende trap) teuerst (overtreffende trap)

  5. Daarenboven bestaan er ook nog een aantal adjectieven die onregelmatige vormen gebruiken (andere vormen dus als hierboven reeds vermeld).
    z.B. groß größer größt, gern lieber liebst, hoch höher höchst, gut besser best, nah näher nächst, viel mehr meist, wenig weniger/minder wenigst/mindest

  6. Wanneer een comparatief resp. superlatief als een bijvoeglijke bepaling wordt gebruikt krijgen ook deze (uiteraard) een adjectiefuitgang (hetzij sterk hetzij zwak).
    z.B. die jüngsten Kinder, das größte Haus

 
Opmerkingen:
 Er ist nicht so groß wie sein Vater. na “so” volgt altijd “wie” (so…wie)
 Sein Vater ist größer als er. na een comparatief volgt steeds ALS.
2e lid van de vergelijking zelfde naamval als het eerste
 Ist meine Schwester ebenso/genau so/so alt wie deine Schwester ? Ja, sie sind gleich alt. (= even oud)
 Je länger Sie zweifeln, desto/umso/je schwieriger wird die Lage für Sie !
Je…desto/umso/je + comparatief + inversie (werkwoord voor onderwerp)
 
Top
 
 
 
7. einige wichtige Adverbien(een aantal belangrijke bijwoorden)
 
hernaar de spreker toehinvan de spreker weg
    
dannbeklemtoond: in dit geval, op dat ogenblikdennzonder klemtoon : eigenlijk, toch
    
andersop een andere maniersonstin het andere geval, verder, overigens
    
nuralleen, slechts, maarerstpas, dusver, niet vroeger dan
    
offenmet ww dat toestand uitdruktaufmet ww dat een handeling uitdrukt
 z.B. die Tür steht offen. Ich mache die Tur auf
alsidentiteitwievergelijking (= zoals)
 
Top
 
 
 
8. die Substantive (zelfstandige naamwoorden)
 
Bij de substantieven wordt traditioneel een onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke substantieven. Het merendeel van de zelfstandige naamwoorden behoort tot de eerste groep.
 
sterk
geen specifieke verbuigingsuitgangen behalve bij datief mv. : +n (tenzij het woord eindigt op een –s of een –n). mit allen Männern (aber: in allen Hotels)
 
zwak
met uitzondering van nominatief enkelvoud krijgen deze substantieven overal –n of –en.
Het handelt hier om mannelijke persoons –en diernamen op –e (der Franzose, der Flame (Opgepast!! der Deutsche is echter geen zwak substantief, maar wel een gesubstantiveerd adjectief!), der Affe, usw.), vreemde substantieven die eindigen op beklemtoonde uitgangen (Planet, Polizist, Tourist, Student,usw.) en nog een aantal andere substantieven zoals Bär, Fürst, Graf, Held, Herr (enk. –n/ mv. –en), Mensch, Nachbar, usw.
 
onregelmatig
Deze substantieven verkrijgen overal –n of –en en in de genitief komt nog eens een extra –s erbij (des Namens). De volgende substantieven hebben een dergelijke onregelmatige verbuiging : der Buchstabe, der Friede, der Funke, der Gedanke, der Glaube, der Name, der Same, der Wille. (Vele van deze substantieven hebben ook reeds in de nominatief enkelvoud een –n, bijvoorbeeld: Samen, Frieden. Als deze tendens zich verder doorzet behoren deze substantieven in de toekomst gewoonweg tot de sterke substantieven.)
 
Wat je ook niet mag vergeten, is dat in het Duits alle zelfstandige naamwoorden steeds met een hoofdletter geschreven worden ! ! !
 
Top
 
 
 
9. die Präpositionen (voorzetsels)
 
De volgende lijst bevat de belangrijkste voorzetsel met hun resp. naamval. Deze voorzetsel werden ook reeds gegeven onder punt 1. „Kasus und Funktionen“. Hier worden ze echter op een overzichtelijkere wijze herhaald.
 
  
AKKgegen, ohne, bis, um, für, durch
GENstatt, trotz, während, wegen
DATaus, bei, mit, nach, von, zu
  
 
Wechselpräpositionen (voorzetsel nu eens met acc. dan weer met dat.):
 
Het Duits beschikt over 9 zgn. „Wechselpräpositionen“ ; dit zijn voorzetsels die zowel met een accusatief als met een datief kunnen voorkomen.
 
 
an (aan, naar, [voor])
auf (op, naar)lokaal: Bewegung/entstehendes Verhältnis (wohin?)
hinter (achter)+ AKK beweging/ nieuwe situatie
in (in, naar, op, binnen)
neben (naast)
über (over)lokaal: Zustand/bestehendes Verhältnis (wo?)
unter (onder)+ DATtoestand/ bestaande situatie
vor (voor cf. Franse „devant“)temporeel: wann? (an, in, vor, zwischen + tijdsbepaling = altijd Dat.)
zwischen (tussen)
 
 
De auto rijdt op de straat.De auto rijdt de straat op.
Das Auto fährt auf der Straße.Das Auto fährt auf die Straße.
Bestaande situatie: Datnieuwe situatie: Acc.
 
Verschmelzung der Präpositionen (samensmelten van voorzetsel en lidwoord)
 
In het Duits gebeurt het vaak dat een voorzetsels samensmelt met het daaropvolgende lidwoord.
voorbeelden: im (in dem), ins (in das), am (an dem), ans (an das), aufs (auf das), zum (zu dem), zur (zu der), beim (bei dem), enz.
 
Ich war gestern Abend im Kino.
Ich gehe heute Abend ins Kino.
 
In de gesproken taal worden dergelijke samensmeltingen zeer frequent gebruikt. Ook in de geschreven taal komen dergelijke samenstellingen steeds meer voor.
Top
 
 
 
10. die Konjunktionen (voegwoorden)
 
koordinierende Konjunktionen (nevenschikkende voegwoorden) :
aber (maar), denn (want), entweder … oder (of…of), nicht nur … sondern auch (niet alleen … maar ook), oder, (so)wie, sowohl … als auch, sondern (maar, daarentegen), und, weder … noch (noch …noch)
 
"sondern" versus "aber" : “sondern” wordt meestal gebruikt om een tegenstelling te benadrukken (het eerste deel van de zin omvat dan typischerwijze een negatie), “aber” daarentegen duidt niet in eerste instantie op een werkelijke uitsluiting of tegenstelling.
 
  • Das ist kein billiges, sondern ein teures Kleid. (tegenstelling)
  • Das ist (zwar) kein billiges Kleid, aber auch kein allzu teures Kleid (geen werkelijke tegenstelling).
 
subordinierende Konjunktionen (onderschikkende voegwoorden) :
als (toen), bevor (voordat), bis (tot), da (daar, aangezien), damit (opdat), dass (dat), ehe (voordat, vooraleer), falls (voor het geval dat), indem (door te), je… desto (hoe… des te), nachdem (nadat), ob (of), obwohl (hoewel), ohne…zu (zonder …te), seit(dem) (sinds, sedert), so dass (zodat), sobald (zodra), solange (zolang), statt…zu (in plaats van te), um…zu (om te), während (terwijl), weil (omdat), wenn (wanneer, als), wie (als, zoals,hoe)
 
wann” versus ”wenn” : tijd versus voorwaarde
 
  • Wann hast du Zeit? (vragend vnw.)
  • Ich komme, wenn ich Zeit habe (voegw.)
 
wenn” versus ”als” : ”als” beschrijft een éénmalig gebeuren in het verleden, terwijl ”wenn” meestal betrekking heeft op een gebeuren dat zich meermaals voordoet.
 
  • Wenn er daran dachte, wurde er ganz traurig (steeds wanneer).
  • Als er daran dachte, wurde er ganz traurig (toen, die éne keer).
  • Als ich in Spanien war habe ich das Stadion von Real Madrid besucht.
  • (Jedesmal) wenn ich in Spanien kaufe ich mir einen Hut.
 
das” (lidw., aanwijzend vnw., betrekkelijk vnw.) versus ”dass” (voegwoord)
 
  • Das (aanwijzend vnw.) hat sie mir gesagt, dass (voegwoord) das (lidw.) Hemd das (betr. vnw.) er trägt, schön ist.
  • Er sagt, dass ich das auch noch lesen soll.
    Voor ” dass” staat ALTIJD een komma ! !
 
denn” (nevenschikkend) versus ”weil” (onderschikkend → het werkwoord staat achteraan)
 
  • Er kommt nicht, denn er ist krank.
  • Er kommt nicht, weil er krank ist.
 
Top
 
 
 
11. Die Verben (werkwoorden)
 
In het Duits wordt een onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke werkwoorden. Sterke werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de stamklinker verandert in één of meer werkwoordstijden. Deze vormen moet men voor ieder werkwoord apart leren, omdat de klinkerverandering niet door regels bepaald wordt. De meeste werkwoorden behoren echter tot de zgn. zwakke werkwoorden, werkwoorden waarvan de vorm van de stam altijd gelijk blijft.
Voorbeeld:zwak werkwoord: kaufen - kaufte- gekauft
Sterk werkwoord: laufen- lief- gelaufen
 
Een ander belangrijk onderscheid m.b.t. werkwoorden wordt bepaald door het criterium ‘scheidbaar/niet scheidbaar’. De onderdelen van een werkwoord zijn enkel scheidbaar wanneer de eerste lettergreep van het werkwoord beklemtoond is.
 
Voorbeeld:onscheidbaar: beginnenDer Unterricht beginnt um 8 Uhr.
scheidbaar: ankommenIch komme um 8 Uhr an.
NB: Er zijn werkwoorden die naargelang hun klemtoon ( en betekenis) zowel scheidbaar als niet scheidbaar zijn!
 
b.v. übersetzen
Ich übersetze das ins Deutsche. Ik vertaal het naar het Duits (niet scheidbaar)
Der Fährmann hat uns ans andere Ufer übergesetzt. De veerman heeft ons naar de andere oever overgebracht. (scheidbaar → vandaar de ge tussen über en setzen)
 
 
Top
 
 
 
11.1 Tempus (tijdsaanduiding)
 
Hier zullen de belangrijkste tijdsaanduidingen in het Duits kort toegelicht worden. In het volgende overzichtje vind je de belangrijkste categorieën waarvoor de resp. tijdsaanduidingen gebruikt worden. Zoals in b.v. het Nederlands en het Engels geldt ook voor het Duits dat de tijdsaanduidingen elkaar deels kunnen overlappen.
 
1. Präsensnu, het hedenIch trinke Kaffe.
(O.T.T)altijdEr spricht Französich.
nog steedsIch wohne seit 2 Jahren in Deutschland.
toekomstIch gebe dir das Geld morgen zurück.
   
2. Imperfektverleden tijd (in de schrijftaal)Er trank Kaffee.
(O.V.T)wanneer men vertelt over lang geledenWir wohnten damals in der Türkei.
   
3. Perfektverleden tijd (in de spreektaal)Er hat Kaffee getrunken.
(V.T.T)wanneer men vertelt over kort geledenIch habe den Zug verpasst, deshalb bin ich zu spät.
   
4. Plusquamperfektiets wat gebeurt was voor iets anders,
(V.V.T)in het verledenNachdem er Kaffee getrunken hatte, ging er zur Arbeit.
   
5. FuturtoekomstWir werden nächstes Jahr umziehen.
(O.tk.T)voornemenKeine Angst, ich werde dir das Geld zurückgeben.
 
(overzicht vgl. thematische woordenschat Duits. Amsterdam:Intertaal, 3e druk 1999, p. 382)
 
Top
 
 
 
11.1.1 der (indikativ) Präsens (tegenwoordige tijd)
 
Hoofdregel :stam (= ww. zonder –en) + persoonsuitgang :-e -en
-st -t
-t -en
 
1. zwakke werkwoorden:
 
kaufenwartenöffnengrüßenhandelnwandern
ichkaufewarteöffnegrüßehandlewandere
dukaufstwartestöffnestgrüßthandelstwanderst
er/sie/eskauftwartetöffnetgrüßthandeltwandert
 
wirkaufenwartenöffnengrüßenhandelnwandern
ihrkauftwartetöffnetgrüßthandeltwandert
sie/Siekaufenwartenöffnengrüßenhandelnwandern
 (1)(2)(3)(4)(5)
 
(1)“kaufen” is een regelmatig werkwoord en volgt de hoofdregel.
 
(2)Werkwoorden die eindigen op een –d of –t krijgen een extra “e” in de tweede en derde persoon enkv. en in de tweede persoon mv. M.a.w tussen de stam en de uitgang staat in dit geval altijd een “e”.
 
(3)Werkwoorden die eindigen op een medeklinker + m/n krijgen eveneens een extra “e” in de tweede en derde persoon enkv. en in de tweede persoon mv. (cf. 2).
 
(4)Werkwoorden die eindigen op een zgn. sisklank (s, ss, ß, x of z) krijgen in de tweede persoon niet –st maar –t.
Opgelet!!: een –sch wordt niet tot de sisklanken gerekend. Werkwoorden die eindigen op –sch krijgen dus wel de gebruikelijke persoonsuitgang –st. Deze uitgang wordt weliswaar geschreven, maar niet uitgesproken. b.v. du duschst
 
(5)Werkwoorden die eindigen op een onbeklemtoonde -el verliesen de “e” uit de infinitief in de eerste persoon enkelvoud (alsook in de imperatief enkelvoud/de du-vorm). Werkwoorden die eindigen op een onbeklemtoonde –er behouden echter de “e” in de eerste persoon enkv.
Zowel de werkwoorden op –er als die op –el krijgen in de eerste en derde persoon mv. een –n i.p.v –en.
 
 
2. sterke werkwoorden
 
Voor de sterke werkwoorden gelden grosso modo dezelfde regels als voor de zwakke ww. Dit betekent dat ook sterke ww. die eindigen op een –d /-t of een medeklinker + m/n een extra “e” krijgen in de 2de en 3de ps. enkv. en in de 2de persoon mv. Sterke ww. op een sisklank krijgen net zoals hun zwakke varianten enkel een –s in de 2de ps. enkv. De werkwoorden op –el/-er zijn in de regel altijd zwak.
Voor enkele “groepen” van de sterke werkwoorden gelden nog bepaalde regels die niet toegepast worden op zwakke werkwoorden (zoals onder de voorbeelden vermeld).
 
singenlesenhelfenfahrenlaufenhalten
ichsingelesehelfefahrelaufehalte
dusingstliesthilfstfährstläufsthältst
er/sie/essingtliesthilftfährtläufthält
 
wirsingenlesenhelfenfahrenlaufenhalten
ihrsingtlesthelftfahrtlaufthaltet
sie/Siesingenlesenhelfenfahrenlaufenhalten
 (1)(2)(3)(4)(5)(6)
 
(1)de “regelmatige” vervoeging van sterke werkwoorden (idem zwakke werkwoorden/hoofdregel)
 
(2)sterke werkwoorden met stamklank lange e > i in de 2de en 3de ps. enkv. (e/i-Wechsel) (vgl. sprechen/essen/brechen/vergessen//werfen/…)
 
(3)sterke werkwoorden met stamklank korte e > ie in de 2de en 3de ps. enkv. (e/i-Wechsel) (vgl. sehen/stehen/empfehlen/…)
 Opgelet!!!: geben: du gibst/ er gibt - nehmen: du nimmst/er nimmt - treten: du trittst/ er tritt
 
(4)sterke werkwoorden met stamklank a: a > ä in de 2de en 3de ps. enkv. (a-Umlaut) (vgl. fahren/fangen/fallen/lassen/schlafen/…)
 
(5)ook werkwoorden met stamklank –au en het werkwoord “stoßen” krijgen een dergelijke Umlaut in de 2de en 3de ps. enkv. (du stößt- er stößt)
 
(6)werkwoorden met a-Umlaut of e/i-Wechsel, waarvan de stam eindigt op een –d of een-t krijgen in de 2de ps. enkv. –st als persoonsuitgang (en niet –est) en de 3de ps. enkv. krijgt in dit geval geen persoonsuitgang (vgl. braten / laden / gelten / treten / …)
 
 
3. Bijzondere werkwoorden haben, sein en werden
 
habenseinwerden
ichhabebinwerde
duhastbistwirst
er/sie/eshatistwird
 
wirhabensindwerden
ihrhabtseidwerdet
sie/Siehabensindwerden
 
Top
 
 
 
11.1.2 das (indikativ) Präteritum/ Imperfekt (onvoltooid verleden tijd)
 
zwakke werkwoorden.sterke werkwoorden.
Stam + (e)* +
te
test
te
ten
tet
ten
 Stam (!!! Stamtijden) + (e)* +
(nichts)
st
(nichts)
en
t
en
 
Voorbeeld 
<< machen >>machte / machtest / machte << rufen >>rief / riefst / rief
 machten / machtet / machten  riefen / rieft / riefen
 
* De stam krijgt een extra ‘e’ voor de persoonsuitgang 
bij zwakke werkwoorden wanneer: bij sterke werkwoorden wanneer:
 
  1. de stam eindigt op -d of -t
  2. de stam eindigt op een medeklinker + [m] of [n] en deze medeklinker geen m, n, l of r is
 
  1. de tweede persoon enkv. eindigt op een s-klank. (b.v. du lasest)
  2. de tweede persoon mv. eindigt op een –d of een –t dan krijgt deze een extra –e voor de persoonsuitgang (b.v. ihr fandet)
 
 
onregelmatige werkwoorden:
 
Naast de zwakke en sterke werkwoorden bestaat er nog een reeks onregelmatige werkwoorden die enerzijds wel van stamklinker veranderen in de verleden tijd maar anderzijds dezelfde persoonsuitgangen verkrijgen als de zwakke werkwoorden.
Het gaat om de werkwoorden:
 
brennendenkenkennennennenrennensendenwenden
branntedachtekanntenannteranntesandtewandte
branntestdachtestkanntestnanntestranntestsandtestwandtest
branntedachtekanntenannteranntesandtewandte
 
branntendachtenkanntennanntenranntensandtenwandten
branntetdachtetkanntetnanntetranntetsandtetwandtet
branntendachtenkanntennanntenranntensandtenwandten
 
Top
 
 
 
11.1.3 der (indikativ) Perfekt (voltooid tegenwoordige tijd)
 
Perfekt : tegenwoordige tijd van ‘haben’ of ‘sein’ + voltooid deelwoord
 
Voorbeeld:Ich habe das noch nicht gemacht
Ich bin mit dem Auto gefahren
 
Het voltooid deelwoord vorm je zo:
 
voor zwakke ww.voor sterke ww.
ge* + stam + (e)tge + stam (!! Stamvormen) + en
 
* Als de eerste lettergreep van de infinitief van het werkwoord onbeklemtoond is dan valt in het voltooid deelwoord het voorvoegsel ge- weg
Voorbeelden:
übersetzen (overzetten)Ich habe es übersetzt.
über'setzen (vertalen)Ich habe den Text ins deutsche übersetzt.
stu'dierenDiese Seiten habe ich gut studiert.
 
Overigens bij alle ww. op –ieren is de eerste lettergreep onbeklemtoond !
 
Top
 
 
 
11.1.4 der (indikativ) Plusquamperfekt (voltooid verleden tijd)
 
De voltooid verleden tijd drukt een handeling in het verleden uit die nog vóór een andere handeling in het verleden plaats gehad heeft.
 
Plusquamperfekt : onvoltooid verleden tijd van ‘haben’ of ‘sein’ + voltooid deelwoord
 
Voorbeeld:
  • Ich hatte das schon gemacht.
  • Ich war schon wieder zu schnell gefahren.
 
Top
 
 
 
11.1.5 der (indikativ) Futur (toekomstige tijd)
 
Futur I (toekomst, vermoeden, plan)
 
Futur I : tegenwoordige tijd van werden + infinitief
 
Voorbeeld:
  • Ich werde das sofort erledigen.
  • Ich werde das schon machen.
 
 
Futur II (meestal een vermoeden)
 
Futur II : tegenwoordige tijd van werden + voltooid deelwoord + ‘haben’ of ‘sein’
 
Voorbeeld:
  • sie wird das Buch schon gelesen haben.
 
Top
 
 
 
11.2 die Modalverben (modale hulpwerkwoorden)
 
Het Duits telt 6 zgn. ‘Modalverben’. Het werkwoord ‘wissen’ is in feite geen ‘Modalverb’, maar het wordt zeer vaak in één adem met deze categorie van werkwoorden genoemd gezien het op dezelfde manier vervoegt wordt.
 
dürfenkönnenmögenmüssensollenwollenwissen
 
Präsens
darfkannmagmusssollwillweiß
darfstkannstmagstmusstsollstwillstweißt
darfkannmagmusssollwillweiß
 
dürfenkönnenmögenmüssensollenwollenwissen
dürftkönntmögtmüsstsolltwolltwisst
dürfenkönnenmögenmüssensollenwollenwissen
 
Präteritum
durftekonntemochtemusstesolltewolltewusste
durftestkonntestmochtestmusstestsolltestwolltestwusstest
durftekonntemochtemusstesolltewolltewusste
 
durftenkonntenmochtenmusstensolltenwolltenwussten
durftetkonntetmochtetmusstetsolltetwolltetwusstet
durftenkonntenmochtenmusstensolltenwolltenwussten
 
De betekenis van deze ‘Modalverben’ :
 
  • dürfen : mogen = toestemming resp. verbod ( ! ! ! dürfen ? durven ‘sich etw. wagen’)
  • können : kunnen, toestemming krijgen, taal/les kennen
    (eine Sprache können/ etw.auswendig können/ usw.)
  • mögen : mogen = (graag) lusten, graag hebben, sympathiek vinden
  • müssen : moeten = het kan niet anders, het is nodig/logisch
  • sollen : moeten = gebod, bevel, twijfel, overleg
  • wollen : willen (soms ook zullen)
  • wissen : weten
 
Top
 
 
 
11.3 der imperativ (gebiedende wijs)
 
De vorm van de gebiedende wijs is afhankelijk van de perso(o)nen tegen wie je spreekt. Spreek je deze perso(o)nen normaal aan met du (jij), ihr (jullie) of Sie (u). Een imperatief wordt gebruikt voor bevelen, verzoeken en raadgeving.
 
machendu machst → mach(e)!Ihr macht → macht!Sie machen → machen Sie!
 
 du-vorm: infinitief zonder stam (eventueel +e), geen pers.vnw.
 ihr-vorm: gelijk aan persoonsvorm 2de persoon mv. tegenwoordige tijd, zonder pers. vnw.
 Sie-vorm: gelijk aan persoonsvorm 3de persoon mv., met pers. vnw.
 
arbeitendu arbeitest → arbeite!ihr arbeitet → arbeitet!Sie arbeiten → arbeiten Sie!
 
 Werkwoorden op –d of –t krijgen in de tweede persoon enkv. altijd een extra –e. Idem voor werkwoorden die eindigen op een medeklinker + -m of -n.
 
lesendu liest → lies!ihr lest → lest!Sie lesen → lesen Sie!
gebendu gibst → gib!ihr gebt → gebt!Sie geben → geben Sie!
nehmendu nimmst → nimm!ihr nehmt → nehmt!Sie nehmen → nehmen Sie!
 
 Werkwoorden met e/i-Wechsel behouden die e/i-Wechsel in de imperatief. Er wordt echter nooit een –e toegevoegd in het enkv.
 
tragendu trägst → trage!ihr tragt → tragt!Sie tragen → tragen Sie!
 
 In de imperatief wordt geen Umlaut toegevoegd.
 
seindu bist → sei!ihr seid → seid!Sie sind → seien Sie!
 
 sein: helemaal onregelmatig
 
 
Samengevat
 
du-vorm:stam (+e) 
 NOOIT extra -e in het enk. bij: ALTIJD extra –e in het enkv bij:
 ww. met e/i-Wechsel ww. op –d/-t
 ww. op medeklinker + m/n
ihr-vorm:stam + t 
Sie-vorm:stam + en + pers. vnw. 
 
 
Top
 
 
 
11.4 das Passiv (passief)
 
De Duitse passiefconstructie komt overeen met de Dederlandse constructie. Intuïtief zal je er dus ook weinig fouten tegen maken. Net zoals in het Nederlands wordt het lijdend voornaamwoord van de actieve zin gebruikt als onderwerp van de passieve zin.
 
De verschillende tijdsvormen van de passiefconstructie:
 
PräsensEin Buch wird (von mir) gekauft.
ImperfektEin Buch wurde (von mir) gekauft.
PerfektEin Buch ist (von mir) gekauft worden.
Plusquampf. Ein Buch war (von mir) gekauft worden.
FuturEin Buch wird (von mir) gekauft werden.
 
Opmerkingen:
 
  1. Een datief uit een actieve zin blijft een datief in de passieve zin!

    Er hilft der Dame → Der Dame wird (von ihm) geholfen.



  2. Het handelende object wordt in het algemeen aangeduid door ‘von’
    Enkel wanneer het handelende object een middel uitdrukt wordt ‘durch’ gebruikt

    Amerika wurde von Kolumbus entdeckt.
    Die Stadt wurde durch Bomben zerstört.



  3. werden = infinitief van “worden“
    worden = voltooid deelwoord in passief

    geworden = voltooid deelwoord, wordt niet gebruikt in passief
 
Top
 
 
 
11.5 der Konjunktiv (conjunctief, aanvoegende wijs)
 
Konjunktiv I (Konjunktiv Präsens) → voornamelijk gebruikt in de “indirekte Rede
 
stam +
e
est
e
en
et
en
eine Ausnahme: sein
ichsei
dusei-(e)st
er/sie/essei
wirsei-en
ihrsei-et
sie, Siesei-en
 
Konjunktiv II (Konjunktiv Imperfekt) → voornamelijk gebruikt in irreële situaties, in formele vragen en in diplomatische contexten.
 
NB:
  • de conjunktief II wordt vaak omschreven door würden + inf.
  • Voor hulpww. en modale ww. worden echter de conjunctiefvormen verkozen boven een omschrijving met würden.
 
zwakke Werkwoorden:
Konjunktiv imperfekt = Indikativ Imperfekt
 
sterke Werkwoorden:
Konjunktiv imperfekt
 = Imperfektstam + ¨ (Umlaut) +e
  est
 stamtijden ! ! e
   en
   et
   en
 
Top
 
 
 
11.6 Stammformen (stamtijden)
 
Infinitivind. Präs.Ind. PrätPart. Perf.Vertaling
befehlener befiehltbefahlbefohlenbevelen
beginnener beginntbegannbegonnenbeginnen
beißener beißtbissgebissenbijten
betrügener betrügtbetrogbetrogenbedriegen
bewegener bewegtbewogbewogenbewegen, aanzetten tot
bewegte bewegtbewegen, ontroeren
biegener biegtboggebogenbuigen
bietener bietetbotgebotenbieden
bindener bindetbandgebundenbinden
bittener bittetbatgebetenvragen, verzoeken
bleibener bleibtbliebgebliebenblijven
brechen er brichtbrachgebrochenbreken
brennener brenntbranntegebranntbranden
bringener bringtbrachtegebrachtbrengen
denkener denktdachtegedacht denken
dürfener darfdurftegedurft mogen
empfehlener empfiehltempfahlempfohlenaanbevelen
erschrecken er erschrickterschrakerschrocken schrikken
(intransitief → niet “doen schrikken” )
essener isst gegesseneten
fahrener fährtfuhrgefahrenrijden, varen
fallen er fälltfielgefallenvallen
fangener fängtfinggefangenvangen
findener findetfandgefundenvinden
fliegener fliegtfloggeflogenvliegen
fliehen er fliehtflohgeflohenvluchten
fließener fließtflossgeflossenvloeien
fressener frisstfraßgefressenvreten
frierener friertfrorgefrorenvriezen
gebener gibt gabgegebengeven
gehener gehtginggegangengaan
gelingener gelingtgelanggelungenlukken, slagen
geltener giltgaltgegoltengelden
genießener genießtgenossgenossengenieten van
geschehenes geschiehtgeschahgeschehengebeuren
gewinnener gewinntgewanngewonnenwinnen
gießener gießtgossgegossengieten
gleichener gleichtglichgeglichengelijken op
gleitener gleitetglittgeglittenglijden
grabener gräbtgrubgegrabengraven
greifener greiftgriffgegriffengrijpen
habener hathattegehabthebben
haltener hälthielt gehaltenhouden
hängener hängthinggehangenhangen (intranstief)
heben er hebthobgehobenheffen
heißener heißthießgeheißenheten
helfener hilfthalfgeholfenhelpen
kennener kenntkanntegekanntkennen
kommener kommtkamgekommenkomen
können er kannkonntegekonntkunnen
kriechener kriecht krochgekrochenkruipen
ladener lädtludgeladenladen
lassener lässtließgelassenlaten
laufener läuftliefgelaufenlopen
leidener leidetlittgelittenlijden
leihener leihtliehgeliehenlenen
lesener liestlasgelesenlezen
liegener liegtlaggelegenliggen
lügener lügtloggelogenliegen
mögener magmochte gemocht lusten, graag hebben
müssener mussmusstegemusst moeten
(absolute noodzaak)
nehmen er nimmtnahm genommennemen
nennener nenntnanntegenanntnoemen
pfeifener pfeiftpfiffgepfiffenfluiten
ratener rätrietgeratenraden
reißener reißtrissgerissenscheuren, trekken
reitener reitetrittgerittenpaardrijden
rennener renntranntegeranntrennen
riechener riechtrochgerochenruiken
rufener ruftriefgerufenroepen
schaffener schafftschuffgeschaffenscheppen
scheidener scheidetschiedgeschiedenscheiden
scheinener scheintschiengeschienenschijnen
schiebener schiebtschobgeschobenschuiven
schießener schießtschossgeschossenschieten
schlafener schläftschlafgeschlafenslapen
schlagener schlägtschluggeschlagenslaan
schließener schließtschlossgeschlossensluiten
schneidener schneidetschnittgeschnittensnijden
schreibener schreibtschrieb geschriebenschrijven
schreiener schreitschriegeschrie(e)nschreeuwen
schweigener schweigtshwieggeschwiegen zwijgen
schwimmener schwimmtschwamm geschwommenzwemmen
sehener siehtsahgesehenzien
seiner istwargewesenzijn
sendener sendetsandtegesandtzenden
sendetegesendetuitzenden
singener singtsang gesungenzingen
sinkener sinktsankgesunkenzinken
sitzener sitztsaßgesessenzitten
sollener sollsolltegesollt moeten
(bevel, morele verplichting, ...)
sprechener sprichtsprachgesprochenspreken
springener springtspranggesprungenspringen
stechener stichtstachgestochensteken
stehener stehtstandgestandenstaan
stehlener stiehltstahlgestohlenstelen
steigener steigtstieggestiegenstijgen
sterbener stirbtstarbgestorbensterven
stinkener stinktstankgestunkenstinken
stoßener stößtstießgestoßenstoten
streichener streichtstrichgestrichenschilderen, schrappen
streitener streitetstrittgestrittenruzie maken
tragener trägttruggetragendragen
treffener triffttrafgeroffentreffen, ontmoeten
treibener treibttriebgetriebendrijven
tretener tritttratgetretentreden
trinkener trinkttrankgetrunkendrinken
tuner tuttatgetandoen
verderbener verdirbtverdarb verdorbenbederven
vergessener vergisstvergaßvergessenvergeten
verlierener verliertverlorverlorenverliezen
verschwindener verschwindetverschwandverschwundenverdwijnen
verzeihener verzeiht verziehverziehenvergeven
wachsener wächstwuchsgewachsengroeien
waschen er wäschtwuschgewaschenwassen
wendener wendetwandtegewandt (zich) wenden
wendetegewendetomdraaien
werbener wirbtwarbgeworbenwerven, reclame maken
werdener wirdwurdegewordenworden, zullen
werfener wirftwarfgeworfenwerpen, gooien
wiegen er wiegtwoggewogenwegen
wissener weißwusstegewusstweten
wollener willwolltegewolltwillen
ziehen er ziehtzoggezogentrekken
 
 
Eine empfehlenswerte Grammatik im Internet:
http://www.deutschonline.de/Grammatik/inhalt.htm
 
 Willst du deine Deutschkenntnisse mal richtig püfen, im Internet gibt es einige lustige Deutschtests:
 http://www.deutsch-als-fremdsprache.de/ctest/erlaeuterung.php3
 http://www.sichtwechsel.com/Sicht1.html
 http://www.ralf-kinas.de/
 
 Deutsch lernen an Hand verschiedener Spiele kannst du über:
 http://www.germanfortravellers.com/learn/index2.html
 
Top